Vocaal ensemble ChoRuss zingt Let God arise, Psalm 68.


‘Geprezen zij de Heer, dag aan dag, deze God draagt ons en redt ons, onze God is een reddende God. Bij God, de HEER, is bevrijding.’


Wij lezen uit het Evangelie volgens Marcus, hoofdstuk 2, vanaf vers1.


Toen Jezus enkele dagen later terugkwam in Kafarnaüm, werd bekend dat hij weer thuis was. Er stroomden zo veel mensen toe dat er zelfs voor de deur geen plaats meer was, en hij verkondigde hun Gods boodschap. Er werd ook een verlamde bij hem gebracht, die door vier mensen gedragen werd. Omdat ze zich niet door de menigte konden wringen, haalden ze een stuk van het dak weg boven de plaats waar Jezus zat, en toen ze een opening hadden gemaakt, lieten ze de verlamde op zijn draagbed naar beneden zakken. Bij het zien van hun geloof zei Jezus tegen de verlamde: ‘Vriend, uw zonden worden u vergeven.’ Er zaten ook een paar schriftgeleerden tussen de mensen, en die dachten bij zichzelf: Hoe durft hij dat te zeggen? Hij slaat godslasterlijke taal uit: alleen God kan immers zonden vergeven! Jezus had meteen door wat ze dachten en dus zei hij: ‘Waarom denkt u zoiets? Wat is gemakkelijker, tegen een verlamde zeggen: “Uw zonden worden u vergeven” of: “Sta op, pak uw bed en loop”? Ik zal u laten zien dat de Mensenzoon volmacht heeft om op aarde zonden te vergeven.’ Toen zei hij tegen de verlamde: ‘Ik zeg u, sta op, pak uw bed en ga naar huis.’ Meteen stond hij op, pakte zijn bed en ging weg; allen die dit zagen, stonden versteld en loofden God. ‘Zoiets hebben we nog nooit gezien,’ zeiden ze.


In Jezus’ tijd was men er algemeen van overtuigd dat ziekte en handicap een straf van God waren voor de zonde. En dus waren de aanwezigen bij deze scene ervan overtuigd dat ofwel de lamme ofwel zijn voorouders gezondigd hadden. Hoe denk jij over deze kijk op tegenspoed?



Zie ik vandaag de dag groepen mensen die lijden onder ziekte, tegenslag of armoede, en waarbij ik van oordeel ben dat het ‘hun fout is”? Misschien denk je spontaan zo over werklozen, migranten of slachtoffers van aids..



Terwijl je deze passage opnieuw beluistert zal het je wellicht opvallen hoe Jezus de relatie tussen zonde en tegenslag verbreekt. Hij spreekt over zonde en tegenslag als over twee onderscheiden dingen, Hij behandelt ze ook als twee aparte dingen, in die zin dat Hij eerst de zonden van de lamme vergeeft en hem pas daarna gezond maakt.



Neem nu even de tijd om wat te praten met Jezus. Hoe kijk je nu aan tegen die groepen van mensen die je spontaan de schuld geeft voor hun tegenslag? Hoe kijkt Hij naar deze mensen? Kun je Hem de genade vragen om  zieken en  verstotelingen met dezelfde blik te bekijken als Hij?