







De volgende dag zag hij Jezus naar zich toe komen, en hij zei: ‘Daar is het lam van God, dat de zonde van de wereld wegneemt. Hij is het over wie ik zei: “Na mij komt iemand die meer is dan ik, want Hij was er vóór mij.” Ook ik wist niet wie Hij was, maar ik kwam met water dopen opdat Hij aan Israël geopenbaard zou worden.’ En Johannes getuigde: ‘Ik heb de Geest als een duif uit de hemel zien neerdalen, en Hij bleef op Hem rusten. Nog wist ik niet wie Hij was, maar Hij die mij gezonden heeft om met water te dopen, zei tegen mij: “Wanneer je ziet dat de Geest op iemand neerdaalt en blijft rusten, dan is dat degene die doopt met de heilige Geest.” En dat heb ik gezien, en ik getuig dat Hij de Zoon van God is.’
«Kathedrale klanken (opgenomen i.s.m. Bidden Onderweg)» © Met permissie Permissie
Ensemble Hermes zingt het Agnus Dei in een compositie van Gheerkin de Hondt.
Heer, U bent bij mij. Meer nog, U bent in mij. Geef me dat ik uw aanwezigheid mag voelen. Geef dat ik mag luisteren naar U. Geef mij uw rust, uw hoop, uw vertrouwen.
Gedurende de voorbije week, de eerste van wat we ‘tijd door het jaar’ noemen, hebben we gelezen over het gewone en het buitengewone. We hebben gezien dat Jezus mensen riep om zijn leerling te worden: eenvoudige vissers die leiders werden van de vroege kerkgemeenschap. We hebben een ‘gewone dag’ meegemaakt in het leven van Jezus, inclusief wonderen van genezing en grote menigten van mensen die naar Hem op zoek zijn. We hebben gehoord dat gewone mannen en vrouwen in de christelijke gemeenschap ‘partners van Christus’ worden genoemd en ‘bekroond met eer en roem’. Is het je opgevallen hoe paradoxaal dit is? Lijkt het je allemaal wat vreemd, of voel je je er juist goed bij?
Diezelfde kwestie van herkenning ligt aan de basis van de lezing van vandaag. Deze is uit het Evangelie volgens Johannes, hoofdstuk 1, vanaf vers 29.
Beeld je een jonge vrouw in, die na een aantal mislukte relaties eindelijk iemand ontmoet waar ze de rest van haar leven wil mee doorbrengen, en die aan haar beste vriendin toevertrouwt: ‘Ik denk dat deze de ware is’. Grappig genoeg zijn de woorden die Johannes De Doper gebruikt om Jezus te beschrijven bijna dezelfde: ‘Hij is het’, ‘Deze is de ware’. Kan ook jij, ondanks de verschillende context, in Johannes’ woorden dezelfde erkenning horen, de herkenning dat ‘dit degene is waar we op gewacht hebben’, dat ‘dit Degene is die niet zal teleurstellen?’
Zou jijzelf dezelfde woorden durven gebruiken over Jezus: ‘Hij is het’? Heb jij hetzelfde gevoel van erkenning, herken jij Jezus als Degene waar je hebt op zitten wachten, waar je naar hebt verlangd? – Degene die je echte voldoening schenkt, Degene die je niet in de steek zal laten?
Er is nog een andere manier van erkenning, een andere manier van Jezus herkennen die belangrijk zou kunnen zijn: waarin herken je Jezus’ aanwezigheid in de wereld rondom jou? Kan je zijn stem horen die je roept? Zie je zijn gelaat in de gezichten van de mensen rondom jou, vooral dan van degenen die lijden of in nood zijn?
Wanneer je de lezing een tweede keer hoort, denk er dan aan dat Johannes hier niet tegen zichzelf spreekt: er luisteren mensen mee terwijl hij over Jezus praat. Kan je je voorstellen wie die mensen zijn? – en het effect van Johannes’ woorden bij hen?
‘Ik heb zelf gezien en kan getuigen dat dit de Zoon van God is.’ Die Zoon van God – de Jezus waar Johannes het over heeft - is hier aanwezig bij ons. Spreek vrijuit over wat je gevoelens voor Hem zijn, en of je wenst te doen wat Johannes deed: deze gevoelens te delen met de mensen om je heen.