





Van Paulus, apostel van Christus Jezus door de wil van God, gezonden om de belofte te verkondigen van het leven in eenheid met Christus Jezus. Aan Timoteüs, mijn geliefd kind. Genade, barmhartigheid en vrede van God, de Vader, en van Christus Jezus, onze Heer! Ik dank God, die ik net als mijn voorouders met een zuiver geweten dien, ik dank Hem telkens als ik je in mijn gebeden noem, elke dag en elke nacht. Als ik aan je tranen denk, verlang ik ernaar je terug te zien; dat zal me met vreugde vervullen. Ik denk vaak aan het oprechte geloof dat jij hebt. Ook je grootmoeder Loïs en je moeder Eunike hadden dat en jij – daarvan ben ik overtuigd – nu ook.
Daarom spoor ik je aan het vuur brandend te houden van de gave die God je schonk toen ik je de handen oplegde. God heeft ons niet een geest van lafhartigheid gegeven, maar een geest van kracht, liefde en bezonnenheid. Schaam je er dus niet voor om van onze Heer te getuigen; schaam je ook niet voor mij, die omwille van Hem gevangenzit, maar deel in het lijden voor het evangelie, met de kracht die God je geeft.
«Complete chants Vol.3» © Met permissie Permissie
«The Chopin variatons» © Creative commons NC-ND 4.0 Creative Commons
Je luistert naar the Lord is my light van Margaret Rizza.
Heer, laat mij geloven in uw aanwezigheid; hier en nu; diep in mij. Laat mij rust vinden in U. Laat mij luisteren naar uw Woord. Geef dat ik bidden mag.
De lezing van vandaag is uit de tweede brief van Paulus aan Timoteüs, hoofdstuk 1, vanaf vers 1.
Kun je de boodschap van Paulus aan Timoteüs ontvangen als een boodschap aan jou, de boodschap van ‘genade, barmhartigheid en vrede van God, de Vader, en van Christus Jezus, onze Heer’? Als je dat kunt – wat voor gevoel geeft je dat dan?
Stel dat iemand jouw geloof zou omschrijven als een ‘oprecht geloof’, hoe zou je je daarbij voelen? Bemoedigd? Verlegen? In de war? En als deze woorden direct tot jou gezegd zouden zijn, dat ‘je een gave in je hebt die God je schonk’ – een gave die je brandend kunt houden – wat zou je daar dan mee willen doen?
Zou dit allemaal waar zijn? Zouden al die veronderstellingen werkelijk waar zijn? Als je opnieuw naar de lezing luistert, hoor deze woorden dan als tot jou hier en nu gesproken.
De lezing zegt ons dat onze roeping en de gaven die we ontvangen, vrijelijk door God zijn gegeven en niet ons eigen maaksel zijn of door ons verdiend of het resultaat van onze inspanningen. Welke gave – die je niet verdiend hebt – zou je God nu willen vragen? Bid erom met je eigen woorden.