





Wanneer de Mensenzoon komt, omstraald door luister en in gezelschap van alle engelen, zal Hij plaatsnemen op zijn glorierijke troon. Dan zullen alle volken voor Hem worden samengebracht en zal Hij de mensen van elkaar scheiden zoals een herder de schapen van de bokken scheidt;de schapen zal Hij rechts van zich plaatsen, de bokken links. Dan zal de koning tegen de groep aan zijn rechterzijde zeggen: “Jullie zijn door mijn Vader gezegend, kom en neem deel aan het koninkrijk dat al sinds de grondvesting van de wereld voor jullie bestemd is. Want Ik had honger en jullie gaven Mij te eten, Ik had dorst en jullie gaven Mij te drinken. Ik was een vreemdeling en jullie namen Mij op, Ik was naakt en jullie kleedden Mij. Ik was ziek en jullie bezochten Mij, Ik zat gevangen en jullie kwamen naar Mij toe.” Dan zullen de rechtvaardigen Hem antwoorden: “Heer, wanneer hebben wij U hongerig gezien en U te eten gegeven, of dorstig en U te drinken gegeven? Wanneer hebben wij U als vreemdeling gezien en opgenomen, U naakt gezien en gekleed? Wanneer hebben wij gezien dat U ziek was of in de gevangenis zat en zijn we naar U toe gekomen?” En de koning zal hun antwoorden: “Ik verzeker jullie: alles wat jullie gedaan hebben voor een van de geringsten van mijn broeders of zusters, dat hebben jullie voor Mij gedaan.”
Daarop zal Hij ook de groep aan zijn linkerzijde toespreken: “Jullie zijn vervloekt, verdwijn uit mijn ogen naar het eeuwige vuur dat bestemd is voor de duivel en zijn engelen. Want Ik had honger en jullie gaven Mij niet te eten, Ik had dorst en jullie gaven Mij niet te drinken. Ik was een vreemdeling en jullie namen Mij niet op, Ik was naakt en jullie kleedden Mij niet. Ik was ziek en zat in de gevangenis en jullie bezochten Mij niet.” Dan zullen ook zij antwoorden: “Heer, wanneer hebben wij U hongerig gezien of dorstig, als vreemdeling of naakt, ziek of in de gevangenis en hebben wij niet voor U gezorgd?” En Hij zal hun antwoorden: “Ik verzeker jullie: alles wat jullie voor een van deze geringste mensen niet gedaan hebben, hebben jullie ook voor Mij niet gedaan.” Hun staat eeuwige bestraffing te wachten, de rechtvaardigen daarentegen het eeuwige leven.’
«Opgenomen in de Krijtberg t.b.v. Bidden Onderweg» © Eigen opname Bidden Onderweg
«The piano» © Magnatune Magnatune license
Het kapelkoor van de Saint Cuthbert's society zingt O quam gloriosum, gecomponeerd door Tomás Luis de Victoria.
Waar ik ook ben, hoe vroeg of hoe laat het is, Heer U bent bij mij. U wacht op mij. Maak mij stil. Laat mij bij U komen. Laat mij luisteren naar uw woord.
De lezing van vandaag is genomen uit het Evangelie volgens Matteüs, hoofdstuk 25, vanaf vers 31.
Jezus vertelt ons dit verhaal over mensen die de indruk hebben dat hun inspanningen er niet veel toedoen. Jezus gaat het, als liefhebbende dienaar, niet om grootse gebaren en geweldige prestaties, maar om aandacht voor de geringste en de minste. Neem nu een moment om naar de geringste en de minste in jouw leven te kijken. Wie zijn de mensen van wie jij het maar evident vindt dat ze er zijn, op het werk, thuis? Wie schat jij dikwijls niet naar waarde?
Jezus beweert dat wat we tegenover anderen doen, dat ook tegenover Hem doen. Treft dit jou? Brengt dit verhaal een herinnering naar boven aan de zorg voor anderen? Of te worden verzorgd?
Let, terwijl je de parabel opnieuw hoort, op woorden die een nood uitdrukken: honger, dorst, naaktheid… Ga na of er beelden zijn die jou bijzonder treffen vandaag.
Denk aan de gezichten en beelden die je tijdens dit korte gebed hebt herkent. Breng ze aan bod in een gesprek met Jezus, die je vandaag wil proberen te dienen. Praat met Hem over hoe je op een eenvoudige wijze in praktijk kan brengen wat je geleerd hebt.