







‘Ik ben het brood dat leven geeft,’ zei Jezus. ‘Wie bij Mij komt zal geen honger meer hebben, en wie in Mij gelooft zal nooit meer dorst hebben. Maar Ik heb u al gezegd dat u niet gelooft, ook al hebt u Me gezien. Iedereen die de Vader Mij geeft zal bij Mij komen, en wie bij Mij komt zal Ik niet wegsturen, want Ik ben niet uit de hemel neergedaald om te doen wat Ik zelf wil, maar om te doen wat Hij wil die Mij gezonden heeft. Dit is de wil van Hem die Mij gezonden heeft: dat Ik niemand van wie Hij Mij gegeven heeft verloren laat gaan, maar dat Ik hen allen laat opstaan op de laatste dag. Dit wil mijn Vader: dat iedereen die de Zoon ziet en in Hem gelooft, eeuwig leven heeft, en dat Ik hen op de laatste dag laat opstaan.’
De gemeenschap van Taizé zingt het lied Crucem Tuam, gecomponeerd door Jacques Berthier.
De komende minuten ga ik luisteren en bidden met Gods woord. Ik maak het zo stil als mogelijk. Ik laat los wat nu niet hoeft. Is er iets dat ik God nu wil zeggen of vragen?
De lezing van vandaag is uit het Evangelie volgens Johannes, hoofdstuk 6, vanaf vers 35.
Jezus begint hier te spreken over honger en dorst – tot mensen die blijkbaar wisten wat echte honger en dorst in hun dagelijkse leven betekenden. Maar zijn er, behalve voedsel en water, nog andere dingen waarnaar we hongeren en dorsten? Wat zijn die dingen?
Wat voor gevoel geeft het je, als Jezus zegt dat Hij het brood is dat leven geeft? – en dat wie van dit brood eet nooit meer honger zal hebben – het antwoord op al onze diepste verlangens?
Als je deze passage opnieuw hoort lezen, merk dan op hoeveel Jezus ons hier belooft – en ook aan jou. Luister vooral naar de belofte waarmee Hij eindigt.