






Paulus’ begeleiders brachten hem naar Athene en keerden daarna weer terug, met de opdracht aan Silas en Timoteüs om zich zo spoedig mogelijk bij hem te voegen.
Paulus richtte zich tot de leden van de Areopagus en zei: ‘Atheners, ik heb gezien hoe buitengewoon godsdienstig u in ieder opzicht bent. Want toen ik in de stad rondliep en alles wat u vereert nauwlettend in ogenschouw nam, ontdekte ik ook een altaar met het opschrift: “Aan de onbekende god”. Wat u vereert zonder het te kennen, dat kom ik u verkondigen. De God die de wereld heeft gemaakt en alles wat er leeft, Hij die Heer is van hemel en aarde, woont niet in door mensenhanden gemaakte tempels. Hij laat zich ook niet bedienen door mensenhanden alsof er nog iets is dat Hij nodig heeft, Hij die zelf aan iedereen leven en adem en al het andere schenkt. Uit één mens heeft Hij de hele mensheid gemaakt, die Hij over de hele aarde heeft verspreid; voor elk volk heeft Hij een tijdperk vastgesteld en Hij heeft de grenzen van hun woongebied bepaald. Het was Gods bedoeling dat ze Hem zouden zoeken en Hem al tastend zouden kunnen vinden, aangezien Hij van niemand van ons ver weg is. Want in Hem leven wij, bewegen wij en zijn wij. Of, zoals ook enkele van uw eigen dichters hebben gezegd: “Uit hem komen ook wij voort.” Maar als wij dan uit God voortkomen, mogen we niet denken dat het goddelijke gelijk is aan een beeld van goud of zilver of steen, het werk van een ambachtsman, door mensen bedacht.
God slaat echter geen acht op de tijd waarin men Hem niet kende, maar roept nu overal alle mensen op tot inkeer te komen, want Hij heeft bepaald dat er een dag komt waarop Hij een rechtvaardig oordeel over de mensheid zal laten vellen door een man die Hij voor dat doel heeft aangewezen. Het bewijs dat het om deze man gaat, heeft Hij geleverd door Hem uit de dood te doen opstaan.’ Toen ze hoorden van een opstanding van de doden dreven sommigen daar de spot mee, terwijl anderen zeiden: ‘Daarover moet u ons een andere keer nog maar eens vertellen.’ Zo vertrok Paulus uit hun midden. Toch sloten enkelen zich bij hem aan en kwamen tot geloof, onder wie ook een Areopagiet, Dionysius, een vrouw die Damaris heette en nog een aantal anderen.
Na deze gebeurtenissen verliet hij Athene en ging naar Korinte.
«The piano» © Magnatune Magnatune license
De gemeenschap van Taizé zingt het lied There is one Lord.
De lezing komt uit de Handelingen van de Apostelen, hoofdstuk 17, vanaf vers 15.
Paulus is hier in gesprek met vreemdelingen – met mensen uit Athene in plaats van uit Jeruzalem. Hij is in een vreemde plaats, een wereld die hij niet goed kent. Maar hij voelt de overtuiging dat God op een of andere mysterieuze wijze aanwezig is in deze onbekende wereld. Sta voor een minuut of twee stil bij deze scène. Wat ziet Paulus?
Kun je je een moment herinneren waarop je in een vreemde en onbekende plaats was? Kun je je dit moment nu voor de geest halen? Wat zie je? Vreemde, onbekende mensen – die vreemde kleren aanhebben, een andere taal spreken, een andere huidskleur hebben? Zijn dit barrières die ons uit elkaar houden? Of zijn het gewone, nerveuze, opgelaten, lijdende mensen – niet zo heel anders dan jij en ik?
Stel je nu eens één van de mensen voor in die onbekende plaats – niet als een vreemdeling of als een bedreiging, maar als iemand die, net als jij, ernaar verlangt zin te geven aan zijn leven. Stel je eens voor dat je voor hem bidt, zelfs met hem bidt.
Wanneer je opnieuw naar de passage luistert, concentreer je dan op wat Paulus doet – terwijl je er net als hij van overtuigd bent dat niemand een vreemdeling is voor God … dat God heel dicht staat bij ieder van ons.
Wat wil je nu zeggen tegen de God van wie je een kind bent, van wie we allemaal de kinderen zijn, tegen de God in wie wij leven, bewegen en zijn?