






Jullie hebben gehoord dat gezegd werd: “Je moet je naaste liefhebben en je vijand haten.” Dit zeg Ik daarover: heb je vijanden lief en bid voor wie jullie vervolgen; alleen dan zijn jullie werkelijk kinderen van je Vader in de hemel. Hij laat zijn zon immers opgaan over goede en slechte mensen en laat het regenen over rechtvaardigen en onrechtvaardigen. Is het een verdienste als je liefhebt wie jou liefheeft? Doen de tollenaars niet net zo? En als jullie alleen je broeders en zusters vriendelijk bejegenen, wat voor uitzonderlijks doe je dan? Doen de heidenen niet net zo? Wees dus volmaakt, zoals jullie hemelse Vader volmaakt is.
«JS Bach Six Motets BWV 225-230» © Magnatune Magnatune license
Het Bach Collegium San Diego zingt Singet dem Herrn ein neues Lied, gecomponeerd door Johann Sebastian Bach.
Heer, ik verlang om te bidden. Laat mij bij U komen. Leer mij los te laten wat mij van U verwijdert. Ontsluit mijn hart en mijn ziel voor uw nabijheid.
De lezing van vandaag is uit het Evangelie volgens Matteüs, hoofdstuk 5, vanaf vers 43.
We horen Jezus zeggen dat we allen kinderen van God zijn; dat ieder van ons een gelijke plaats heeft in het liefdevolle hart van God; dat God ons niet veroordeelt en ons vraagt om anderen op dezelfde, liefdevolle manier te behandelen. Wie zijn de mensen, waarvan ik het moeilijk vind om ze lief te hebben?
Wat houdt mij tegen om eenieder die ik tegenkom, lief te hebben – om hen precies zo te behandelen als ik zelf door hen behandeld zou willen worden?
Als je het gedeelte opnieuw hoort, bedenk dan dat dit de woorden van God zijn – God, die liefde is. Luister naar de liefde in deze woorden – geen sentimentele liefde, geen holle woorden, maar een liefde die echt is en uitdaagt.
Kan ik nu iets tegen God zeggen over deze uitdaging – en hoe ik daarop antwoord? Hoe zou ik erop willen antwoorden? Misschien wil ik vergeving vragen, voor wanneer ik niet mild, gul en liefdevol was. Of misschien wil ik God vragen om hulp, bij de dingen die me tegenhouden lief te hebben zoals Hij.