





Toen hij aan de overkant, in het gebied van de Gadarenen, aan land ging, kwamen hem twee bezetenen tegemoet die uit de graven kwamen; ze waren zo gevaarlijk dat niemand die weg durfde te nemen. Ze schreeuwden: 'Wat hebben wij met jou te maken, Zoon van God? Ben je hier al vóór de tijd om ons te pijnigen?' Een eind verderop liep een grote kudde varkens te grazen. De demonen smeekten hem: 'Als je ons uitdrijft, stuur ons dan de kudde varkens in.' Hij zei: 'Ga!' Ze gingen de varkens in, en de hele kudde stormde de steilte af het meer in en verdronk. De varkenshoerders sloegen op de vlucht en gingen in de stad het verhaal vertellen, ook wat er met de bezetenen was gebeurd. Daarop ging de hele stad Jezus tegemoet, en toen ze hem zagen, drongen ze er bij hem op aan hun gebied te verlaten.
«Changing» © Creative commons NC-ND 4.0 Creative Commons
«Opgenomen t.b.v. Bidden Onderweg» © Eigen opname Bidden Onderweg
Kamerkoor Victoria & Oudemuziekkoor Bosch en Duin zingen
Wenn ich einmal soll scheiden uit de Matteüspassie van Johann Sebastian Bach.
Heer, geef mij het geloof dat U aanwezig bent, ook als ik dat niet voel. Geef mij uw vrede, geef mij uw rust, geef dat ik nu bij U mag komen en naar U mag luisteren.
Vandaag lezen we een passage uit het Evangelie volgens Matteüs, hoofdstuk 8, vanaf vers 28.
Wat je ook denkt van deze verhalen over “bezetenen” – mensen die bezeten zijn door duivels – het is interessant om te zien dat het deze mensen zijn – zij die als “gek” beschouwd worden – die Jezus als “Zoon van God” erkennen. Waarom denk je dat dit zo is? Wat zou het ons kunnen vertellen?
Aan het einde van deze scène, als de inwoners horen wat er is gebeurd, lijkt hun reactie (zoals die van de demonen) er een van angst en smeken zij Hem om te vertrekken. Waarom reageren ze zo? Waar zijn ze bang voor?
Wanneer je het verhaal opnieuw hoort, let dan vooral op de reacties van de verschillende personages op Jezus en vraag je misschien ook af of je, in hun plaats, anders zou reageren.
Ieder van ons, op onze eigen manier, is de prooi van onze eigen demonen, dingen die ons van tijd tot tijd beheersen of zich van ons meester maken – hoewel meestal op een subtielere en minder zichtbare manier dan in dit verhaal. Kan ik spreken met de Heer over de dingen die controle of macht over mij uitoefenen? Kan ik vragen om zijn hulp om mezelf te bevrijden uit hun greep?