Een boodschap van Paulus aan Timoteüs
Je luistert naar the Lord is my light van Margaret Rizza.
Heer, laat mij geloven in uw aanwezigheid; hier en nu; diep in mij. Laat mij rust vinden in U. Laat mij luisteren naar uw Woord. Geef dat ik bidden mag.
De lezing van vandaag is uit de tweede brief van Paulus aan Timoteüs, hoofdstuk 1, vanaf vers 1.
Kun je de boodschap van Paulus aan Timoteüs ontvangen als een boodschap aan jou, de boodschap van ‘genade, barmhartigheid en vrede van God, de Vader, en van Christus Jezus, onze Heer’? Als je dat kunt – wat voor gevoel geeft je dat dan?
Stel dat iemand jouw geloof zou omschrijven als een ‘oprecht geloof’, hoe zou je je daarbij voelen? Bemoedigd? Verlegen? In de war? En als deze woorden direct tot jou gezegd zouden zijn, dat ‘je een gave in je hebt die God je schonk’ – een gave die je brandend kunt houden – wat zou je daar dan mee willen doen?
Zou dit allemaal waar zijn? Zouden al die veronderstellingen werkelijk waar zijn? Als je opnieuw naar de lezing luistert, hoor deze woorden dan als tot jou hier en nu gesproken.
De lezing zegt ons dat onze roeping en de gaven die we ontvangen, vrijelijk door God zijn gegeven en niet ons eigen maaksel zijn of door ons verdiend of het resultaat van onze inspanningen. Welke gave – die je niet verdiend hebt – zou je God nu willen vragen? Bid erom met je eigen woorden.
Heer, laat mij geloven in uw aanwezigheid; hier en nu; diep in mij. Laat mij rust vinden in U. Laat mij luisteren naar uw Woord. Geef dat ik bidden mag.
De lezing van vandaag is uit de tweede brief van Paulus aan Timoteüs, hoofdstuk 1, vanaf vers 1.
Kun je de boodschap van Paulus aan Timoteüs ontvangen als een boodschap aan jou, de boodschap van ‘genade, barmhartigheid en vrede van God, de Vader, en van Christus Jezus, onze Heer’? Als je dat kunt – wat voor gevoel geeft je dat dan?
Stel dat iemand jouw geloof zou omschrijven als een ‘oprecht geloof’, hoe zou je je daarbij voelen? Bemoedigd? Verlegen? In de war? En als deze woorden direct tot jou gezegd zouden zijn, dat ‘je een gave in je hebt die God je schonk’ – een gave die je brandend kunt houden – wat zou je daar dan mee willen doen?
Zou dit allemaal waar zijn? Zouden al die veronderstellingen werkelijk waar zijn? Als je opnieuw naar de lezing luistert, hoor deze woorden dan als tot jou hier en nu gesproken.
De lezing zegt ons dat onze roeping en de gaven die we ontvangen, vrijelijk door God zijn gegeven en niet ons eigen maaksel zijn of door ons verdiend of het resultaat van onze inspanningen. Welke gave – die je niet verdiend hebt – zou je God nu willen vragen? Bid erom met je eigen woorden.