Hij is gekomen om leven te geven
Het Toonkunstkoor zingt Et in Spiritum Sanctum uit de mis in D van Antonin Dvorak.
Goede God, laat mij gedurende deze gebedstijd dicht bij U zijn. Met mijn hart, mijn geest, mijn ziel, mijn lichaam. Helemaal. Geef dat ik uw nabijheid en uw liefde mag voelen.
De lezing is genomen uit het Evangelie van Johannes, hoofdstuk 6, vanaf vers 44.
Voor de meeste christenen lijkt het vanzelfsprekend dat Jezus verwijst naar de Eucharistie wanneer Hij spreekt over ‘het brood dat leven geeft.’ Maar het zou goed kunnen dat Hij hier de metafoor van ‘het brood dat leven geeft’ en ‘het levende brood’ gebruikt om de openbaring van God aan te duiden. Jezus is de openbaring van God. Hij is Diegene die de Vader gezien heeft. En Hij is gekomen om leven te geven, een leven ten volle. Voel ik mij gevoed door ‘dit brood dat leven geeft?’ Door deze openbaring van Jezus van wie God is?
En als Jezus gekomen is om leven te geven, een leven ten volle… doe ik dit dan? Leef ik Gods’ leven ten volle? Of is er een grotere volheid van leven, waartoe God mij roept?
Wanneer ik opnieuw de lezing beluister, probeer ik te letten op de taal die leidt van ‘hemelse hoogten’:.. ‘God’… ‘de Vader’… en ‘eeuwig leven’, helemaal naar ‘mijn lichaam’: ‘het brood dat ik zal geven voor het leven van de wereld, is mijn lichaam.’
Dit is de taal, de boodschap van de Menswording. Gods’ grote openbaring van zichzelf komt tot ons in menselijke vorm, in vlees. Wat zou ik nu willen zeggen aan Jezus, aan ‘het brood dat leven geeft’, aan de openbaring, de Menswording van God?
Goede God, laat mij gedurende deze gebedstijd dicht bij U zijn. Met mijn hart, mijn geest, mijn ziel, mijn lichaam. Helemaal. Geef dat ik uw nabijheid en uw liefde mag voelen.
De lezing is genomen uit het Evangelie van Johannes, hoofdstuk 6, vanaf vers 44.
Voor de meeste christenen lijkt het vanzelfsprekend dat Jezus verwijst naar de Eucharistie wanneer Hij spreekt over ‘het brood dat leven geeft.’ Maar het zou goed kunnen dat Hij hier de metafoor van ‘het brood dat leven geeft’ en ‘het levende brood’ gebruikt om de openbaring van God aan te duiden. Jezus is de openbaring van God. Hij is Diegene die de Vader gezien heeft. En Hij is gekomen om leven te geven, een leven ten volle. Voel ik mij gevoed door ‘dit brood dat leven geeft?’ Door deze openbaring van Jezus van wie God is?
En als Jezus gekomen is om leven te geven, een leven ten volle… doe ik dit dan? Leef ik Gods’ leven ten volle? Of is er een grotere volheid van leven, waartoe God mij roept?
Wanneer ik opnieuw de lezing beluister, probeer ik te letten op de taal die leidt van ‘hemelse hoogten’:.. ‘God’… ‘de Vader’… en ‘eeuwig leven’, helemaal naar ‘mijn lichaam’: ‘het brood dat ik zal geven voor het leven van de wereld, is mijn lichaam.’
Dit is de taal, de boodschap van de Menswording. Gods’ grote openbaring van zichzelf komt tot ons in menselijke vorm, in vlees. Wat zou ik nu willen zeggen aan Jezus, aan ‘het brood dat leven geeft’, aan de openbaring, de Menswording van God?