De vreemdeling
De gemeenschap van Taizé zingt het lied There is one Lord.
De lezing komt uit de Handelingen van de Apostelen, hoofdstuk 17, vanaf vers 15.
Paulus is hier in gesprek met vreemdelingen – met mensen uit Athene in plaats van uit Jeruzalem. Hij is in een vreemde plaats, een wereld die hij niet goed kent. Maar hij voelt de overtuiging dat God op een of andere mysterieuze wijze aanwezig is in deze onbekende wereld. Sta voor een minuut of twee stil bij deze scène. Wat ziet Paulus?
Kun je je een moment herinneren waarop je in een vreemde en onbekende plaats was? Kun je je dit moment nu voor de geest halen? Wat zie je? Vreemde, onbekende mensen – die vreemde kleren aanhebben, een andere taal spreken, een andere huidskleur hebben? Zijn dit barrières die ons uit elkaar houden? Of zijn het gewone, nerveuze, opgelaten, lijdende mensen – niet zo heel anders dan jij en ik?
Stel je nu eens één van de mensen voor in die onbekende plaats – niet als een vreemdeling of als een bedreiging, maar als iemand die, net als jij, ernaar verlangt zin te geven aan zijn leven. Stel je eens voor dat je voor hem bidt, zelfs met hem bidt.
Wanneer je opnieuw naar de passage luistert, concentreer je dan op wat Paulus doet – terwijl je er net als hij van overtuigd bent dat niemand een vreemdeling is voor God … dat God heel dicht staat bij ieder van ons.
Wat wil je nu zeggen tegen de God van wie je een kind bent, van wie we allemaal de kinderen zijn, tegen de God in wie wij leven, bewegen en zijn?
De lezing komt uit de Handelingen van de Apostelen, hoofdstuk 17, vanaf vers 15.
Paulus is hier in gesprek met vreemdelingen – met mensen uit Athene in plaats van uit Jeruzalem. Hij is in een vreemde plaats, een wereld die hij niet goed kent. Maar hij voelt de overtuiging dat God op een of andere mysterieuze wijze aanwezig is in deze onbekende wereld. Sta voor een minuut of twee stil bij deze scène. Wat ziet Paulus?
Kun je je een moment herinneren waarop je in een vreemde en onbekende plaats was? Kun je je dit moment nu voor de geest halen? Wat zie je? Vreemde, onbekende mensen – die vreemde kleren aanhebben, een andere taal spreken, een andere huidskleur hebben? Zijn dit barrières die ons uit elkaar houden? Of zijn het gewone, nerveuze, opgelaten, lijdende mensen – niet zo heel anders dan jij en ik?
Stel je nu eens één van de mensen voor in die onbekende plaats – niet als een vreemdeling of als een bedreiging, maar als iemand die, net als jij, ernaar verlangt zin te geven aan zijn leven. Stel je eens voor dat je voor hem bidt, zelfs met hem bidt.
Wanneer je opnieuw naar de passage luistert, concentreer je dan op wat Paulus doet – terwijl je er net als hij van overtuigd bent dat niemand een vreemdeling is voor God … dat God heel dicht staat bij ieder van ons.
Wat wil je nu zeggen tegen de God van wie je een kind bent, van wie we allemaal de kinderen zijn, tegen de God in wie wij leven, bewegen en zijn?